wij, onze lijven met andere lijven
bezig zijnde die onder ons gezegd
de lijven van die anderen zijn die
er het zwijgen toedoen, die met geen
pinknagel willen beroeren nog de
rottende grondcode die hen knikken
doet & bollen wijl zij ons beladen
met het debet van hun falen elke dag;
wij, die de tong roeren in monden
die ons vreemder zijn dan de
Slokgrotten der Cyclopen of de
Stille Kamers van Uw Smeulende Hart;
wij, die onze vingers & armen & benen
aandrijven als een maniëristisch op zilveren
plaatjes minutieus geëtst hyperpluriform gespan
van stroboscopisch in het duister gespieste
lichtdooraderde paardenemanaties
wij, die u het strooppotje volbloeden, op uw feesten
onze lijven met het roet der verkoolde inktviskringen
inwrijven & alom druipende van vet
nog zó op uw koele trancetonen des doods
rondspartelen, dat het alle muren
bespettert, prrt, prrt;
wij, die als voor de wals
in de staalwalserij onze
hoofden U schotelen
123
123
do sol mi;
wij, die met de handen in uw molen
nog hopen aan uw alles verhakkelende draaiingen
te kunnen ontsnappen maar dan eerder zoals kip
eens ze pastei is geen kip meer hoeft te zijn
& het kakelen eindelijk kan staken,
wij vrezen niet, geen, noppes.
het dichten hebben
wij niet nodig
(sorry è).