egyptisch

In tegenspraak, uw zinnen tergende,
soit disant als plaag
in duizendvouden dit moment :
hoe langzaam ik je
open, hoe uitgesplinterd in
mijn oor het kirren
van je oudste lach weerklinkt.

Ik, de schender van je opgeruimde
staat, force majeure, riet
dat splijtend naar je diepte dingt :
in vreemde luchten
mond ik uit, stof strandt op mijn tong
van onbesproken
kamers, tomben blauw in jou.

Jij, op barricaden spinnende,
aardse liaison,
omkaderd vlees dat lacht om mij :
langs brede lanen
redt je oog het moeiteloos, deint
je onbewogen
hoofd in wervelingen mee.

Zij, haar museale schoonheid is
vanzelfsprekend nu
in stilstand bevende nabij :
schril tableau vivant,
van hoe je uitverkoren door
haar zee mag komen,
hoe mijn leger sterft in jou.

Advertenties