horatiaans

Zie je, Schätze, mensen
in dit park van menselijke zaken,
vrome mensen, stemmig & wellicht
eensluidend met het stoffige
van deze zomernacht
hun wulpse conversatie?

Hoor je ritselingen
in dit gras & klavecimbelerig
het knetterende zingen van vuur
dat zich in duizenden vleugels
vliezig vel op vel
tastbaar bewogen verteert?

Voel je strak mijn handen
rond je lijf geklemd, vingers wriemelen
rond eindjes been & ogen priemen
in het weeïge wijken
van je hals, het zilte
parelen van zweet op jou?

Ruik je fijntjes, Liebchen,
giftig geurend gas in deze zak van angst,
wasems in de bloei van barbecues,
leven dat zichzelf verast,
opgewonden water
dat mijn mond, mijn maag uitbraakt?

Likt je tong het poeder
dat ik in de schuren op mijn akkers meng,
nippen je besmeurde lippen wijn
die in mijn aderen kolkt
& eet je mee van mij,
vlees dat in je stad verzengt?

Advertenties