theatraal

Haar zotskap op & dansend in mijn handen,
aan stok & draden hangende is zij de heks :
onwerelds, doof ben ik haar toegewijd. Ik,
die graag de kinderen het gieren gun & spot,
leg nauwgezet met elke grimas, wenteling
of kronkelpas een onverzettelijke haat
in haar luchtig stoffen ledematen & gelaat.

Met weerzin & met liefde in één oogopslag
zie ik jou een kind bekijken, achteraan,
dat in een appel bijt. Het bijt begeesterd
tot het tandvlees bloedt – het vruchtvlees
sist, er is het sap dat spat -; & jij, doorwinterd
& van vet ontdaan, verslingerd als eenieder
op het zweven, maar het steen zit danig in je huid,

wat anders wil je dan dat straks
in onmacht ik in jou herhaaldelijk
de noodzaak van haar val beaam?

 

Advertenties