wild

Ik ben de minnaar van jouw ogenblik.
Ik ben al dichter bij je dan je ooit
nog mij verspreken kan. In het raam
de maan maant aan: stil. Ssst.

Jij ligt, jouw huid is okerglans
met linnen in een zuiver wit verplooid.
Wild, ik trek het laken van je af. Wind
beukt open ook het vensterraam:

  • het laken flappert in het nachtzwart
  • het laken suist en kleppert in het donker
  • het laken kleeft jou aan en zoekt de aangezichten op
    van angst, van pijn, van droefenis.

Bevrijd lik ik de vreugde van jouw lippen.
Ik ben jouw minnaar van het ogenblik:
dichter, diep in jou is mijn bestaan.
In het raam de maan maant aan.

Advertenties